1961

* Motto : -
* Materiaal : Porselein
* Ontwerper : Joop Vlak
* Aantal : 700
* Verkoopprijs : ?
* Toelichting : ?
* Bijzonderheden : ?
* Gevelplaot : ?
* Uitgegeven door : Stichting Carnaval
* Prins : Jan I (Jan Mol)
* Gròòtste boer : Leo (Leo Suijkerbuijk)
* Nar : Laurentius (Laurent van Mansfeld)
* Liedje (65, 66, 69 & 70 waren moto & titel liedje niet gelijk) : As ut effe kan
* Componist : Laurent van Mansfeld / Frederick Loewe
* Drager : Niet uitgebracht
* Winnaar Liedjesfestival : Niet van toepassing

 
Een vrouwelijke clown, een clownse dus, met groen hoedje, een geel lintje en paarse veer, een rood met zwart beschilderd gezicht, geel haar met bruine strikken en een blauw gestreepte kraag.

De clown van het jaar daarvoor is kennelijk zo goed bevallen, dat dit figuurtje ook dit jaar hét symbool van de Roosendaalse carnaval mag worden.
De Tullepetaon zou nog een kleine 10 jaar op zich laten wachten en dus werd deze lolbroek bij uitstek nog maar eens voor den dag gehaald.
Joop Vlak, de “kunstboer” uit de Boerenraad, liet het figuurtje dit maal in porselein uitvoeren, hetgeen een langer leven beschoren bleek te zijn dan het brokkelige gips.
Ieder embleempje wordt in een plastic mal gegoten, gedroogd, gebakken en beschilderd, vervolgens geglazuurd en weer gebakken.
Maar liefst acht kleuren prijken op het sierlijke insigne, die kleur voor kleur door geduldige carnavalsminnende vrijwilligers zijn aangebracht.
De veldtekens werden toen ook al wijk voor wijk aan de man gebracht.
Niet alleen de horeca fungeerde als verkooppunt maar ook Kunsthandel Werz en het Portiekje namen het carnavalssymbool op in hun assortiment.
Vanwege het arbeidsintensieve karakter kende deze versie een oplage van 700 stuks.
De grote veldtekens kregen voor de derde keer in successie een plek achter de bar.